maandag 6 mei 2019

Dag 6 (Lyon - Chambéry, Col de l' Epine)

Lyon - Chambéry
Emo heeft in Lyon overnacht in het klooster Saint Martin d’Ailey op het Presque'île. De kleine abdij in het centrum van de stad is van een buitengewone romaanse eenvoud en samenhang.

Voordat ik de stad richting Chambéry verlaat rijd ik er nog even langs.












Monastère Saint Martin d'Ailey


De autoroute A43 van Lyon naar Chambéry is herinnering aan toen Tim en Rosa nog klein waren en wij een paar jaar achtereen aan het Lac d’Aiguebelette gekampeerd hebben, aan de voet van het massief van de Chartreuse. Om een beetje leuk te kunnen fietsen moest ik eerst de Col de l’Épine over, om dan weer af te dalen naar Chambéry en vandaar uit de cols in de Chartreuse te bedwingen.
Over dezelfde col trokken Emo en Hindrik op 21 december 1211 en toen was het winter, maar nu heb ik hem voor de boeg, de eerste echte Alpencol, met 20 kg bagage.

"In Nance boven het Lac d’Aiguebelette, halverwege de klim naar de Col de l’Épine, begon natte sneeuw uit de loodgrijze hemel te vallen. [..] Emo ging naar de herbergier, die zijn schouders ophaalde. "Maakt u zich niet druk, de Col de l’Épine is nog open".
"En de Col du Mont Cenis?" De herbergier bekeek Emo met een frons. "Als die nog open is, zou ik wel iets warmers aantrekken dan die pij en vooral iets anders aan mijn voeten doen dan sandalen".

(Citaat uit "Emo’s Labyrint", pag. 203)

Het is een bijzondere ervaring om vanuit Lyon de geleidelijk oplopende weg naar het oosten op de fiets af te leggen, en langzaam de Mont du Chat en de Montagne de l’Épin dichter bij te zien komen: "... lijkt het de reiziger inderdaad als de hoge rug van een woedende bergkat af te schrikken" [citaat: Emo’s Reis].

Ik volg de route van Emo zo nauwkeurig mogelijk en kom ettelijke 'sporen' tegen, zoals het kasteel van Fallavier waar Emo onderdak gevonden heeft. Het kasteel speelde in zijn tijd een rol in de machtsstrijd tussen de grootmachten Frankrijk en het Roomse Rijk, waartoe het graafschap Savoie behoorde.
In Le Pont-de-Beauvoisin steek ik de vroegere grensrivier tussen het koninkrijk Frankrijk en het latere hertogdom Savoie over. Savoie werd pas in 1860 definitief bij Frankrijk gevoegd.

Als ik na een dag geleidelijk omhoog fietsend het Lac d’Aiquebelette in het vizier krijg gaat er een lichte schok door me heen. In dat heldere groengekeurde water, waar het meer beroemd om is, heb ik mijn dochtertje leren zwemmen.. Ik ben de camping aan de oever van het meer even opgereden en het werd me bijna emo te moede.



Le Pont-de-Beauvoisin aan de Isère

Lac d'Aiguebelette met de Mont de Chat (boven) en de Montagne de l’Épin (onder)




Er is een mooie anekdote over dit meer, dat één van de weinige natuurlijke meren van Frankrijk is. Het natuurzuivere water komt uit een bron op 70 meter diepte in het midden van het meer. Om die reden was het al in de 19e eeuw in trek. Toen de spoorlijn van Lyon naar Chambéry moest worden aangelegd, lag het voor de hand dat de tunnel tussen de Montagne de l’Épin en de Mont de Chat door het massief geboord zou worden, omdat het daar het smalst is. De vraag was of de spoorlijn boven het meer langs zou worden aangelegd of onderlangs. Een bijdehante speculant gokte op bovenlangs, kocht daar een stuk grond en liet er een Victoriaans hotel bouwen. Uiteindelijk werd de spoorlijn onderlangs aangelegd met een station in Aiguebelette-le-Lac. Een eeuw later werd wel de autoroute A43 langs de noordkant van het meer aangelegd.


De klim naar de Col de l’Épine is er een van herkenning. Al direct onder de snelweg door begint het behoorlijk te stijgen, en na de afslag naar Nances wordt het menens, terwijl de echte klim naar de col pas op de D916 begint. Dan is het 6 km stampen, trekken en ritme vinden.
Eenmaal over de col heb ik een schitterend uitzicht op Chambéry dat zich in de late middagzon koestert, maar op de col het is zo koud dat ik alleen maar naar beneden wil.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten